25 september 2000

Groeten uit Indonesië

De afgelopen zes weken hebben we in Indonesië rondgereisd. Hier volgt ons verslag.

REISROUTE
Pontianak (Kalimantan) - Cirebon (Java) - Pangandaran - Yogyakarta - Solo - Kuta (Bali) - Ubud - Benoa - Ende (Flores) - Moni - Riung - Bajawa - Labuanbajo - Seraya - Rinca - Komodo - Sumbawa - Tetebatu (Lombok) - Senggigi - Gili Meno - Kuta - Ubud - Tirtagganga - Kedisan - Ubud - Kuta - Jakarta

BELEVENISSEN
Toen we vanuit Maleisië met de bus Indonesië binnenkwamen, hadden we direct het gevoel in een andere wereld te zijn: de huizen waren van bamboe en riet in plaats van van steen, hele families zaten op de veranda's, palmolieplantages maakten plaats voor rijstvelden, de wegen werden slechter, de bussen overvol en overal waar we uitstapten werden we begroet met: "hello mister!".
Pontianak, onze eerste stop in Indonesië, is een stad bovenop de evenaar en de enige bezienswaardigheid voor toeristen is het evenaar-monument. 
Voor de lokale bevolking waren wij, als enige toeristen in de stad, de hoofd-bezienswaardigheid en we werden dan ook honderden keren per dag gegroet en aangesproken. Wij waren eigenlijk alleen maar in Pontianak om een boot naar Java te nemen en we hadden geluk, want een dag na onze aankomst ging er al één, naar Cirebon. We vulden onze tijd met het balanceren op de evenaar en het zoeken naar een reisgids van Indonesië, die we nog niet hadden kunnen vinden in Maleisië. In heel Pontianak lukte dit echter ook niet, dus gingen we zonder reisgids op weg naar Java. De boot die we namen was van de staatsrederij Pelni, die voor veel Indonesiërs een goedkoop alternatief biedt voor vliegen. De boten zijn qua grootte vergelijkbaar met de veerboten Nederland - Engeland, maar veel minder luxe. We reisden samen met bijna duizend Indonesiërs in de goedkoopste economie-klasse: nog geen 25 gulden voor een reis van 36 uur, inclusief maaltijden. We hadden gereserveerde bedden en we begrepen dan ook niet waarom de boot onmiddellijk na aankomst bestormd werd. Dit werd ons duidelijk toen er, eenmaal op de slaapzaal, minder matrassen dan bedden bleken te zijn.  
We deelden die slaapzaal met ongeveer 200 Indonesiërs en met nog veel meer kakkerlakken. Een familie van minstens tien personen, waaronder een paar huilende kinderen, deelde de vijf bedden achter ons. Wij hadden als bedgenoten slechts kakkerlakken. Tot twee uur 's nachts probeerde de één na de ander de tv boven ons bed uit, die alleen geruis op het maximale volume produceerde. Maar gelukkig hadden onze naaste buren een ghettoblaster meegenomen, waar de hele zaal van kon meegenieten. Naast de tv hing een groot bord "verboden te roken", maar de zaal stond na tien minuten al helemaal blauw. Toen we onze rokende buurman voorzichtig op het bord wezen, zei onze achterbuurman: "dat geeft niks, jullie mogen ook best roken" en stak vervolgens zelf een sigaret op. Wij gaven deze ongelijke strijd maar op. Gelukkig konden we wel blijven lachen om deze inwijding in de lokale cultuur en we sliepen die nacht niet eens zo slecht. De volgende dag brachten we voornamelijk buiten aan dek door. Als enige toeristen aan boord hadden we over gebrek aan aandacht niet te klagen. Nog een dag later voeren we de haven van Cirebon binnen, een stad aan de voet van een prachtige vulkaan.
Hoewel we eigenlijk naar Indonesië gekomen waren om door Nusa Tenggara te reizen, besloten we, nu we toch vrij westelijk op Java aangekomen waren, nog een aantal plaatsen te bezoeken die we bij een vorige reis, vijf jaar geleden, hadden gemist.
Als eerste gingen we daarom naar Pangandaran, een plaatsje aan de zuidkust van Java. 
Daar vierden we Indonesië's Onafhankelijkheidsdag op dezelfde manier als half Java: met een wandeling in het natuurreservaat van Pangandaran. Door deze invasie hield het dierenleven zich wel schuil. De volgende dag maakten we een tocht naar de Green Canyon, een rivierkloof met tropische plantengroei tegen steile rotswanden. We voeren met een boot de rivier op. Toen die niet meer verder kon, klommen en zwommen we over watervalletjes en tegen stroomversnellingen in door het koele, groene water in de canyon.
Hierna reisden we door naar Yogyakarta, de meest toeristische plaats van Java. Vijf jaar geleden hadden we de meeste bezienswaardigheden hier al bekeken. Nu dachten we er de Indonesië reisgids te kunnen vinden, die we nog steeds erg misten. Maar dat viel tegen. Ook financieel zat het ons niet mee: hoewel er veel geldautomaten waren, konden we maximaal 600.000 Roepia (ongeveer 180 gulden) pinnen, door de huidige crisis en koersschommelingen.
Onze volgende reisbestemming, Solo, lag een uurtje treinen naar het oosten. Hier bereikte onze creativiteit het hoogtepunt van deze reis: op een batikcursus maakten we allebei een t-shirt naar eigen ontwerp. Het principe van batikken is het bedekken van textiel met was op plekken waar je geen verf wilt hebben. Wij begonnen met het uittekenen van ons ontwerp met gesmolten was op een wit t-shirt. De hierbij ontstane vlakken kleurden we in met textielverf en bedekten we vervolgens ook met een waslaag. Daarna legden we de t-shirts in een kleurbad om de achtergrondkleur te verven. Tenslotte kookten we de t-shirts (wasvoorschrift 40 graden) om de was te verwijderen. Het resultaat: twee donkerblauwe t-shirts met een kleurige wereldbol er achterop.

Vanuit Solo maakten we ook nog een fietsexcursie om de verschillende thuisfabriekjes op het platteland te bekijken. We zagen onder andere hoe kroepoek en tahoe worden gemaakt, arak wordt gestookt, wajangpoppen worden gesneden, sarongs voor toeristen worden geverfd en palmsuiker wordt gewonnen. 
Alles gebeurde nog met de hand en de arbeidsomstandigheden en hygiëne zouden menig Nederlandse ARBO- en kwaliteitsmedewerker hevig doen schrikken: de kippen liepen tussen de op het erf drogende kroepoek, de tahoe lag uit te lekken in een ruimte van ruim dertig graden vol vliegen en overal werd stevig gerookt tijdens het werk.
Wij namen een nachtbus naar Bali en vonden in het zeer toeristische Kuta eindelijk de lang gezochte reisgids.
Kuta zou evengoed een Europese badplaats kunnen zijn: veel restaurants en disco's, sjieke boetiekjes en schaarsgeklede toeristen. Indonesië is hier ver te zoeken.
We moesten nog een paar dagen op de boot naar Flores wachten en besloten de drukte van Kuta te ontvluchten naar Ubud, in het midden van Bali. Daar belandden we in hetzelfde hotel en in dezelfde kamer als vijf jaar geleden. Het leek alsof we niet weggeweest waren: de tropische tuin was nog even mooi, de bananenpannenkoeken nog even lekker en elke ochtend werden er nog offers gebracht aan de tempeltjes in de tuin, aan alle kamers en niet te vergeten aan de watermeter. In de omgeving van Ubud zijn prachtige rijstterrassen, waar we twee dagen tussen gewandeld en gefietst hebben.
 

Hierna namen we weer een Pelni-boot, dit keer van Benoa (Bali) naar Ende (Flores), opnieuw een reis van 36 uur. We waren nu wat beter voorbereid, zowel geestelijk als qua bagage. De slaapzaal kwam ons vertrouwd voor en om te voorkomen dat we elke keer een half uur in de rij moesten staan voor een bordje koude rijst uit de gaarkeuken, hadden we nu al ons eten zelf meegenomen (wel zo goed voor je gezondheid). We maakten onderweg weer vele vrienden en genoten van alle eilanden met vulkanen, de dolfijnen en vliegende vissen. Vanuit Ende reisden we met de bus nog wat verder naar het oosten, naar Moni, om daar de drie verschillend gekleurde kratermeren van Kelimutu te bekijken. 
We zagen de zon opkomen boven het turquoise, het olijfgroene en het zwarte meer. De meren veranderen af en toe van kleur en niemand weet precies hoe dat komt. In een dag reisden we van Moni naar Riung door een droog, bergachtig landschap over slingerende wegen in een propvolle bus. In Riung, een klein vissersdorpje aan de noordkust van Flores, vierden we Gerbert's verjaardag met een dagje snorkelen in het "Seventeen Islands Marine Park" (dat overigens uit 24 eilanden bestaat, maar de Indonesische regering vond 17 een mooier getal in verband met de datum van Onafhankelijkheidsdag, 17 augustus). 
Vooral de koralen waren er prachtig, in alle mogelijke kleuren en vormen. Hierna gingen we door naar Bajawa, iets zuidelijker, om een aantal traditionele dorpjes in de omgeving te bekijken. Deze dorpjes worden volgens een vast patroon gebouwd en bestaan altijd uit een veelvoud van vier rieten hutten. De hutten zijn gebouwd rond een centraal plein, waar de totems staan: één mannelijke (rieten parasol) en één vrouwelijke (rieten huisje) totem per clan van vier hutten, als symbolen van de voortdurende aanwezigheid van de voorouders. 
Hoewel alle inwoners al lang geleden zijn bekeerd tot het christendom, blijven ze daarnaast trouw aan animistische rituelen, zoals voorouderverering en dierenoffers.Onze volgende bestemming was Labuanbajo, aan de westkust van Flores, gelegen aan een baai vol eilandjes. 
Hiervandaan wilden we een vierdaagse boottocht maken naar Lombok, maar door het geringe aantal toeristen vertrok de boot pas een paar dagen later. Deze dagen brachten wij door op een perfect tropisch eilandje: in een bamboehut op een wit zandstrand met een turquoise zee daarachter vol koralen en kleurige vissen. En het was er vooral heerlijk rustig: geen verkeer, geen verkopers en maar tien hutjes op het hele eiland. Ons paradijs werd ruw verstoord toen onze boottrip een dag eerder vertrok dan gepland. De boot was speciaal voor ons twee uur om gevaren, dus we moesten wel meegaan, hoe graag we ook op het eiland hadden willen blijven. We zaten met zes andere toeristen en een zeven-koppige bemanning op een redelijk kleine vissersboot (ongeveer 15 meter lang). We sliepen aan dek en er werd heerlijk voor ons gekookt. 
Onderweg legden we onder andere aan bij de eilanden Rinca en Komodo, om de beroemde Komododraken (tot drie meter lange varanen) te bekijken. 
Ook stopten we regelmatig bij een koraalrif om wat te snorkelen. Indonesië blijft wat dat betreft voor ons een toplokatie met glashelder water, uitgestrekte onderwater-tuinen van wuivende koralen en anemonen, vol kleurige, tropische vissen: alsof je middenin een natuurfilm zwemt. We konden daarnaast heerlijk lezen aan dek en een paar keer zagen we dolfijnen vlakbij de boot. Alleen op stukken open zee was het water soms zo ruw dat de golven over het dek sloegen, zodat we ons wel realiseerden dat we op een klein bootje zaten. We probeerden maar niet te veel te denken aan alle krantenberichten over gezonken boten in Indonesië.
Gelukkig bereikten we veilig de haven van Labuhan Lombok, vanwaar we met een bus naar Tetebatu gingen, in het midden van Lombok. We hadden gelezen over de mooie rijstterrassen daar, maar helaas waren wij er in het tabaksseizoen.
 
Toch maakten we een mooie wandeling over de smalle dijkjes tussen de terrassen en genoten van het uitzicht op Gunung Rinjani, een 3700 meter hoge vulkaan. We zagen hoe de lokale bevolking leefde in hutjes in de velden, met de hand zaaide en oogstte en zichzelf en hun kleren wasten in de stroompjes tussen de velden. Ook is het altijd erg leuk om de producten te zien groeien die je in Nederland alleen uit de supermarkten kent, zoals pinda's, kruidnagelen, koffie, chili's, ananas en cassave. Via Senggigi, een verlaten badplaats aan Lombok's westkust, waar we eindelijk weer konden internetten, gingen we naar Gili Meno, voorlopig ons laatste tropische eilandje. We genoten dan ook extra van onze hut op het strand, het snorkelen tussen de schildpadden, het badmintonnen en vooral het zitten op onze veranda bij kaarslicht met een glaasje (rijst)-wijn en wat pinda's.
Na een paar dagen relaxen bracht een veerboot ons weer terug naar Bali, waar we op zoek moesten naar een tandarts voor José's op Flores afgebroken kies. Het Nederlands consulaat raadde ons een ziekenhuis in Denpasar aan. Dit voldeed wel aan onze voorstelling van een ziekenhuis in een ontwikkelingsland: overvol met wachtende patiënten, smerig, weinig privacy, weinig apparatuur. Ondanks de voorkeursbehandeling die wij als toeristen kregen, hadden we weinig vertrouwen in de tandarts die geen Engels sprak en ons dus niet kon uitleggen wat hij van plan was te gaan doen. Hij leek dit zelf trouwens ook niet goed te weten, want hij liet z'n assistenten allerlei verschillende potjes aanrukken, probeerde de Engelstalige etiketten te ontcijferen, liet er wat poeder uitscheppen en liet het vervolgens weer terugdoen in het potje. Toen hij tenslotte in een oude schoenendoos nog wat stoffige, niet steriele spullen vond waarmee hij wel wat wilde proberen, besloten we dat het maar beter was om te vertrekken. Gelukkig ontmoetten we een dokter die wel Engels sprak en ons haar (privé-)tandarts aanraadde. Deze was volgens haar veel beter dan haar collega in het ziekenhuis. Daar aangekomen troffen we inderdaad een high-tech behandelkamer aan en werd José professioneel geholpen. Hieraan hing wel een flink prijskaartje, maar dat hadden we er graag voor over. Bovendien zijn wij goed verzekerd, in tegenstelling tot de meeste Indonesiërs. We hadden het nog erg naar onze zin in Indonesië en ons visum was nog een paar weken geldig. Na al het relaxen op strandjes hadden we veel zin om iets actiefs te doen en daarom besloten we nog een paar dagen te gaan fietsen op Bali. In Ubud huurden we twee mountainbikes en pakten de meest noodzakelijke spullen in een dagrugzakje. Vanuit Ubud fietsten we door de heuvels en door kleine dorpjes naar Tirtagganga, een plaatsje tussen de rijstterrassen. 
Na een dag flink inspannen onder de tropische zon konden we een koele duik in het oude waterpaleis wel gebruiken.
De volgende ochtend fietsten we verder naar Besakih, de belangrijkste hindoe-tempel op Bali, op de helling van de heilige berg Agung (die helaas in de wolken lag). We hadden geluk, want er was die dag net een tempelceremonie.
Veel feestelijk geklede mensen (mannen en vrouwen beiden in witte en gele, glanzende sarongs en blousen) gingen naar de tempel. De vrouwen droegen schalen met hoog opgestapelde offers van fruit en bloemen op hun hoofd. 
's Middags fietsten we verder in de richting van de vulkaan Batur. De weg ging vrijwel continu steil omhoog en we waren blij toen we na vier uur zwoegen de kraterrand bereikten. Daar werden we beloond met een geweldig uitzicht op de vulkaan en het daarnaast gelegen meer. We overnachtten in Kedisan, een klein plaatsje aan het meer. De terugweg naar Ubud ging bijna helemaal berg-af, zodat we vier uur lang nauwelijks hoefden te trappen en de aanhoudende stroom van "hello mister"-s weer wat minder hijgend konden beantwoorden.
Hierna begonnen we de lange terugreis overland en -zee naar Bangkok met een bijna 30 uur durende busreis naar Jakarta.

WEER
Het is het einde van de droge tijd in Indonesië. Het zicht is nu niet optimaal door al het stof in de lucht en de rook van de vele "slash-and-burn" akkerbouw. Wel is het lekker warm, ruim 30 graden, en we hebben nauwelijks regen gehad de afgelopen tijd. Het is voor ons moeilijk voor te stellen dat in Nederland de herfst al begonnen is, al zouden we best zin hebben in een wandeling in een herfst-bos!

BEVOLKING
Indonesiërs blijven voor ons de vriendelijkste mensen die we tot nu toe ontmoet hebben. Ze zijn altijd vrolijk en goedlachs, erg behulpzaam, maar ook nieuwsgierig. Buiten de toeristische gebieden word je bij ieder huis gegroet. En aan gesprekspartners heb je hier nooit gebrek, er is altijd wel iemand die z'n Engels wil oefenen. Het zal je hier ook niet snel gebeuren, zoals ons in andere landen wel eens overkwam, dat je in de bus je bestemming voorbij rijdt. De halve bus heeft al gevraagd waar je naartoe gaat (en dit aan de andere helft doorverteld) en iedereen herinnert de chauffeur eraan waar hij moet stoppen. En als je twee dagen op een Pelni-boot zit, mag je blij zijn als je een half uurtje kunt lezen zonder aangesproken te worden. Zelfs dan kijkt er meestal wel iemand over je schouder mee. Toen wij in Riung zaten te eten, verdrongen de mensen uit de omliggende, niet-toeristische dorpjes, die voor de wekelijkse markt in Riung waren, elkaar voor de ramen om naar ons te kunnen kijken.
Indonesië is het grootste moslimland ter wereld. Toch wonen er op Bali voornamelijk hindoes en op Nusa Tenggara voornamelijk christenen.
Veel inwoners van Nusa Tenggara zijn van het Melanesische ras en hebben kroeshaar en een donkerder huid dan de Indonesiërs van het Maleise ras.

STEMMING
We zijn alweer bijna zeven maanden aan het reizen, al is het voor ons gevoel veel korter.
Je wordt vanzelf vrolijk van het reizen in Indonesië, omdat iedereen altijd naar je lacht.
Ondanks alle negatieve berichten over Indonesië in de pers, hebben wij ons helemaal niet onveilig gevoeld. Het land is ook zo groot dat als het op één plek onrustig is, je dat een eiland verderop niet zult merken. We hadden vaak medelijden met de mensen op Nusa Tenggara die van het toerisme afhankelijk zijn.
Door de ongeregeldheden vorig jaar op Timor en Lombok blijven de toeristen massaal weg, terwijl het er al een hele tijd rustig is en er op de andere eilanden zelfs nooit iets is gebeurd. Het kostte ons soms moeite om uit een hotel weg te gaan omdat wij de enige bron van inkomsten voor de vriendelijke eigenaars waren.
Nederland lijkt best ver weg, al denken we wel regelmatig aan jullie allemaal en vinden we het erg jammer dat we allerlei bijzondere gebeurtenissen (trouwerijen, pasgeboren baby's, nieuwe huizen) niet van dichtbij kunnen meemaken. Wat we op dit moment misschien nog wel het meest missen, is het hebben van een gezellige, eigen plek en wat meer privacy. We zijn blijkbaar toch niet geboren voor een leven lang zwerven. En hoewel een jaar lang uit eten best een luxe lijkt (en dat ook zeker is), hebben we soms veel zin om zelf weer eens iets lekkers te koken.

VAN DE MENUKAART
We hebben in Indonesië erg lekker gegeten, veel lekkerder dan we ons van onze twee vorige reizen konden herinneren. We weten niet of dit komt doordat het eten beter was of doordat we al zo lang uit Nederland weg zijn. We hebben voor het eerst deze reis veel groente kunnen eten, vooral in de vorm van gado-gado. Ook hebben we natuurlijk vaak nasi goreng gegeten, in vele varianten, en als ontbijt hadden we bijna elke ochtend een bananenpannenkoek. 's Avonds stelden we soms een mini-rijsttafeltje samen van gado-gado, een omelet of gebakken tahoe/tempé en af en toe (vlees-, vis- of tahoe-)saté met witte rijst. Dit kostte ons dan drie tot vier gulden per persoon, inclusief een cola.
Daarnaast hadden we weer volop keus uit tropisch fruit, waarbij zuurzak vaak favoriet was.
We konden merken dat er wat het eten betreft nog wel wat Nederlandse invloeden te vinden zijn in Indonesië: we konden zowaar weer eens hagelslag en speculaas eten.
Op de verschillende menukaarten kwamen we nog wel een aantal interessante voorbeelden van "Indonesian deshies" tegen:

  • cold dring
  • Gordon Blue
  • poashed eggs
  • gaucomolle
  • krakers
  • vagetables topped with great coconut
  • sweet sawer sause
  • penut saos
  • pried topu
  • fineapple juice

WIST U DAT...

  • de rietjes hier meestal te kort zijn voor de colaflesjes?
  • de lokale remedie tegen maag-darmklachten een gezouten eende-ei is?
  • dit nog leek te helpen ook (of zouden het toch de antibiotica zijn geweest)?
  • we naast de vele bordjes "wood carvings made by order" en "furniture made by order" ook een bordje zagen met "antiques made by order"?
  • Magnums hier maar één gulden twintig kosten?
  • wij die niet vaak hebben gehad omdat de lekkere softijsjes van McDonalds maar een kwartje kosten?
  • een busreis van twee uur op Flores gemakkelijk vijf uur kan duren omdat: 1) de bus eerst een uur door het dorp rijdt tot er echt niemand meer bij in past, 2) de chauffeur ook post bezorgt, 3) hij stopt voor een praatje met z'n vele bekenden onderweg, 4) een motor met pech achter aan de bus gebonden moet worden, 5) er af en toe bladeren geplukt moeten worden om de geit op het dak te voeren (zou hij anders aan de bagage beginnen?)?
  • Indonesiërs graag foto's maken van westerse toeristen?
  • trouwen op Flores duur is?
  • de bruidsschat tenminste moet bestaan uit een buffel, een paard, wat varkens, wat kippen, een hond en een geit?
  • onze prijsbewuste gids daarom had besloten een vrouw op Java te gaan zoeken?
  • een aantal kleinverpakkingen hier vrijwel altijd goedkoper is dan één grootverpakking van hetzelfde gewicht?
  • dit in Nederland ook geldt voor Calvé pindakaas?
  • we een deel van dit verslag bij McDonalds hebben ingetypt?

PLANNING
Morgen nemen we een Pelni-boot van Jakarta naar Medan, op Sumatra. Daarvandaan kunnen we met een snelle boot oversteken naar Penang in Maleisië. Vanuit Penang willen we met de bus terug naar Bangkok.
Ons oorspronkelijke plan was om daarna via Cambodja overland naar Vietnam te reizen, maar door de vele overstromingen in Cambodja en zuid Vietnam is dit waarschijnlijk niet zo'n goed idee. We besluiten in Bangkok of we alsnog naar Vietnam vliegen of misschien een hele andere kant op gaan. Jullie horen over een aantal weken wel wat het geworden is.


Sampai jumpa lagi vanuit Indonesië.